'mond het uit, licht het op de tong'


Bespreking van 'Moederkoren' van Paul Demets



Voor altijd blijf je gehecht aan wie jou negen maanden in het lichaam heeft gedragen en die jou uiteindelijk op de wereld heeft gezet. De relatie met de moeder is complex, soms al in de buik en anders wel daarna. Het is een voortdurende zoektocht in hechten en loslaten. Je kopieert bewegingen, gedrag, taal, gebaren. Ze is degene die jou voedt. Je bent afhankelijk, je klampt je als een bloedzuiger aan haar vast, maar de relatie kan ook giftig worden, waarbij je elkaar ervaart als de schimmel die je voor altijd bij je draagt. In de zeven afdelingen van Moederkoren, de nieuwe bundel van Paul Demets, is overal de complexe moeder-kindrelatie voelbaar, in allerlei verschillende fasen van het leven.

 

Het eerste deel ‘hechting’ voelt intiem, alsof je rondwandelt in iemands herinnering:

 

Stilgevallen in de tuin zoekt de moeder het kind

de moeder. De was volgt dezelfde lijn

als de zomer. Een jurk wordt onderhanden genomen

 

en verandert van vorm in een jurk die traag

in het gras valt en samengedrukt

kleurt als een moedervlek.

 

Ze richt haar aandacht, kleedt zich uit

voor de spiegelkast, ziet het weefsel.

Haar lippen vormen een vraag.

 

Ze trekt de jurk aan die te drogen

heeft gehangen. De tijd vlekt, haar huid

heeft haar bloeiwijze. Het kind biedt haar

de aanraking waarnaar ze hunkert.

Het knoopt haar jurk dicht om die zelf te dragen.

 

De observatie is complex. Moeder en kind vloeien in elkaar over, niet alleen omdat het kind ooit in de moeder is geweest en zo deel was van haar, maar tegelijkertijd is in de moeder ook nog steeds een kind aanwezig, het kleine meisje dat zij vroeger was. De jurk aan de waslijn verandert door de wind van vorm, maar ook door de jaren heen, omdat het kind groeit. De jurk is als het veranderende lichaam, maar de ‘tijd vlekt’, laat sporen na. Het kind dat de jurk van de moeder dichtknoopt, raakt de moeder aan, die hunkert naar aanraking, maar hoe houd je de verlangens van beiden gescheiden? Wie hunkert naar wie?

 

Zo sterk als je in de bundel deze hechting kunt voelen, zo sterk is daar ook de vervreemding: ‘Op de trap de moeder, de vrouw, het meisje. / Hun silhouetten schuren de treden.’ Hoe weet je wie van de drie je zult aantreffen, of zijn ze altijd alle drie tegelijk aanwezig? ‘Het meisje dat haar moeders haar opsteekt’ kan een kind zijn dat inderdaad het haar van haar moeder opsteekt, dus het haar dat bij het lichaam van haar moeder hoort, maar het kan ook zijn dat het meisje, in wie al een moeder schuilt, haar eigen haar opsteekt, zoals haar moeder dat zou doen: ‘De knot doet haar groeien: / de moeder in het meisje in het vruchtbegin.’ De knot is hier mooi dubbelzinnig.

 

De vervreemding in Moederkoren wordt versterkt door de vele verwijzingen naar de films van Chantal Akerman, waarin de toeschouwer minutenlang als een voyeur naar een vrouw in een ruimte kan kijken, terwijl er nauwelijks iets gebeurt. Juist daardoor gebeurt er veel in jezelf: je wordt een beetje die persoon, terwijl je ook de tussenruimte blijft voelen tussen jouzelf en de ander, naar wie je kijkt. In No home movie (2015), haar laatste film voordat ze uit het leven stapt, filmt en interviewt ze haar moeder. Ook die film is intiem en tegelijkertijd vervreemdend. Je blijft de ruimte voelen tussen die twee. Akerman wilde haar moeder, die Auschwitz had overleefd, graag doorgronden, maar hoe kun je daadwerkelijk tot iemand doordringen? Juist voor het kind voelt dat paradoxaal, omdat je weet dat je ooit daadwerkelijk binnen in het lichaam van je moeder bent geweest.

 

De bundel is verdeeld in zeven prachtige afdelingen, die je alleen langzaam en aandachtig wilt lezen, en waarvan de titels ontleend zijn aan de psychologie: hechting, hedonie, embodiment, ruminatie, fugue, depersonalisatie, derealisatie. Dat maakt dat je tijdens het lezen ook gaat reflecteren op allerlei verschijningsvormen van de menselijke psyche. In ‘fugue’ zie je hoe je wel kunt vluchten, maar overal kun je geraakt worden: ‘Verborgen in de kamer verborgen in het weefsel / raakte het zingen mij.’ Je kunt je eigen beeld ‘aan diggelen’ vinden en jezelf ‘als wrakhout’ oprapen. In deze cyclus voel je de voortdurende onrust, terwijl je ingehaald wordt door jezelf, maar dan opnieuw geboren: ‘Lichamen vonden zichzelf terug, als kwamen ze / uit het water, de streng doorgeknipt, herboren.’

 

Zoals je steeds jezelf overal tegenkomt, als je op de vlucht slaat, kun je ook juist behoorlijk van jezelf vervreemd raken. ‘Depersonalisatie’ is een aangrijpende cyclus gebaseerd op Akermans al even aangrijpende Sud, dat zij maakte naar aanleiding van een gruwelijk incident in de Verenigde Staten, waarbij een man van kleur aan een truck werd vastgebonden en kilometerslang over het asfalt werd gesleept. In Demets poëzie vloeien toeschouwer en slachtoffer in elkaar over:

 

Daar liep mijn lichaam. Ik probeerde te volgen.

Het liep over de asfaltweg waar het gebeurde.

Het rook een bloedspoor dat verder vloeide.

 

En dit is, voor wie Demets poëzie een beetje kent, heel vertrouwd: overal in zijn werk is die maatschappelijke betrokkenheid voelbaar, dicht op de huid, verbonden met het persoonlijke én het universele, verbonden met het werk van allerlei andere kunstenaars, die inspireren. Op het Poëziefilmfestival in Zutphen zag ik ook films, gebaseerd op de poëzie van Demets. Hijzelf was daar omringd door zijn in kleine boekjes tekenende studenten van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent, waar hij lector is. Dat is wat Demets in persoon, maar ook in ieder werk uitstraalt: een continu proces van geïnspireerd worden en zelf inspireren, of die stroom nu van binnenuit, de eigen soms pijnlijke herinnering, of van een ander komt. Overal reflecteert die inspiratie en brengt zij de mens in beweging:

 

En het komt los door het water.

Soms wordt een lichaam een rivier,

mondt het uit, ligt het op de tong

glanst het op wangen, als werden ze geboend.

 

 

 

Dietske Geerlings

 

 

Paul Demets – Moederkoren. Poëziecentrum, Gent. 88 blz. €23,00.