De schoonheid van de menselijke ziel


Bespreking van 'Van de koele meren des doods' van Frederik van Eeden

Niet eerder zag ik het steeds maar van kleur en vorm veranderende karakter van een fijnbesnaarde ziel zó wonderschoon bijeengehouden in de taal als in Van de koele meren des doods van Frederik van Eeden. Ja, ik las dit boek eerder, jaren geleden, en ook toen was ik er totaal door overrompeld. Eigenlijk was ik een beetje bang voor de hertaling van Albert Kroezemann, bang om mijn mooie herinnering te verliezen door taal die misschien niet zou passen bij de tijd, en dacht – geheel tegen mijn gewoonte in – dat ik misschien alleen zou bladeren om een vluchtig oordeel te kunnen schrijven. Maar nee, ik heb ook deze hertaling woord voor woord gelezen, zoals je hardop in je hoofd kunt voorlezen, traag, tegen alle drukte van de tijd in. Alle publicaties van levende auteurs schuif ik voor even aan de kant om deze klassieker volop tijd en ruimte te geven en de loftrompet te steken over het vakmanschap van de hertaler. Echter, hoe kan ik van een afstand over dit boek schrijven, zonder een stukje van mijn eigen ziel prijs te geven?

 

Niet dus. Dat gaat niet. Al op de eerste bladzijde van deze roman rakelt de beschrijving van het huis van Hedwig Marga de Fontayne alle ruimtes in mijn herinnering op waar ik ooit geweest ben, niet van zo deftige huizen misschien, maar van allerlei muren, lichtval, geuren, schilderijen, plafonds, vloertegels. Fysieke walging van heimwee voel ik, dwars door herinneringen aan het allerhoogste geluk dat ik ooit heb beleefd. Alles wat daartussenin is ook. Hoe kan het dat een liefhebber van lege, stille boeken, waar weinig gebeurt en heel veel open plekken zijn om zelf nog in te vullen, zich zo laat overrompelen door uitvoerige beschrijvingen tot in de kleinste details?

 

‘Als kind nog – zij zal negen jaar oud geweest zijn – begon al de beklemming van iets heftigs en verschrikkelijks, zwaar en droevig, dat niet weg wilde en dat ze nooit echt zag. Het was op verschillende plaatsen, bij verschillende bezigheden en hechtte zich als een kwade geur aan verschillende dingen. Ze merkte het niet als het er was, maar wat later, als ze de plaats, de bezigheid, het ding herdacht, was het als een zwart, lelijk iets dat ze vergeten was op te merken. Zo had zij op een avond zeepbellen geblazen met haar vriendinnetje op het plaatsje met de gele stenen achter de keuken. Zij had de bonte, prachtige gladde waterballonnen laten dansen op haar mouw en zachtjes laten huppelen over een wollen dweil, en haar broer had ze gevuld met tabaksrook, totdat ze barstten. Daarna ging ze naar bed. Het was negen uur op een maandagavond. Het was nog even licht en een grauwe schemering vulde haar kleine, kale kamertje. Er klepten twee klokjes op de torens buiten tegen elkaar in.

Daarna viel er iets als vaalzwart en angst over haar onmiddellijke herinnering en ze voelde het toch niet toen zij op de rand van haar bedje zat. Maar later, later, scheen het alsof zij toen al ondraaglijk geleden moest hebben, zo’n afkeer van saaiheid en akeligheid kleefde aan alles wat ze toen voelde. Aan de geur van zeepsop en stenen pijpjes; aan de gele stenen van het plaatsje; aan de stemmen van haar broer, van haar vriendinnetje en van de meid, aan het grauwe licht door de kleine slaapkamerruiten en aan het oneindige, naargeestige klokgeklep.’

 

Je zou kunnen denken dat Van Eeden niets onbeschreven laat, maar tussen alle details van kleur, geur en structuur, laat hij juist de essentie van de beleving open. Hij probeert die weliswaar te vangen, maar grijpt steeds mis. De beklemming lijkt in eerste instantie in het kind te zitten, maar dan staat er even later dat zij het niet merkte op dat moment. Dan wordt er een herinnering aan het bellenblazen beschreven, die universeel is en daardoor eenvoudig raakt aan herinneringen van de lezer. Dat hoeft niet eens een herinnering aan bellenblazen te zijn. Vervolgens suggereert de verteller dat de beklemming neerdaalt in de avond als ze op de rand van het bed zit. Toch blijkt ze die ook dan nog niet te voelen. Net als de bellen gevuld met tabaksrook – een al eeuwenlang door kunstenaars gebruikt beeld van het vluchtige, ongrijpbare of misschien zelfs vergeefse van het leven – glijdt de beklemming verder en verder weg in de tijd naar later, totdat zij daadwerkelijk herinnering is geworden. Zonder dat je echt vat krijgt op wat hier gebeurt, overkomt je de beklemming. Nu zou ik hier graag een objectieve uitspraak over doen, maar dat kan ik niet, want ik weet niet of je die beklemming kunt voelen als je zelf deze walging en dit zwarte nooit gevoeld hebt in bepaalde ruimtes. Zou de ontroering liggen in de herkenning?

 

Van Eeden was psychiater. Het is dus niet zo vreemd dat hij in dit boek een diep inzicht laat zien in de menselijke psyche. In het nawoord heeft Kroezemann het voorwoord van Van Eeden bij de tweede druk toegevoegd, waarin hij zich verdedigt tegen literatuurcritici die het werk beschouwden als psychologische studie van een min of meer ziekelijk geval: ‘Dit is de banale opvatting van oppervlakkig-denkende en oordelende lezers,’ schrijft Van Eeden. Zijn verdediging is tweeledig. Het eerste deel betreft de opvatting dat het een psychologische studie zou zijn. Dat is het niet, het is ‘geheel uit kunstenaarsmotieven ontstaan.’ Het is de schrijver te doen om schoonheid: ‘Het schone dat de gehele bewondering wekte, en waarop hij, bij zijn weergave alle aandacht van de lezer wil focussen, is immers niet een of ander uiterlijk verschijnsel, een sensueel waarneembare zaak, maar een zielsgebeurtenis van [sic], wellicht zeldzaam, maar in het minst onnatuurlijk of onwaarachtig.’ Het gaat hem om een artistieke waarheid. Het andere deel betreft de opvatting dat Hedwig een ziekelijk wezen zou zijn. Dat is zij niet: ‘Wel is zij, met uiterst fijne en edele gevoelens uitgerust, veel meer aan schadelijke invloeden blootgesteld, dan de grove, gemiddelde mens.’

 

Net als het boek zelf, is ook deze verdediging in onze tijd nog steeds interessant. Hoeveel mensen worden er in onze samenleving niet even snel in een hokje geplaatst, triomfantelijk, soms zelfs smalend mét diagnose: ‘die autist’, ‘zeker hoogsensitief’, ‘bipolair’, ‘ADHD’, ‘depressief’, enz.? Van Eeden laat zien hoe fluïde de menselijke ziel is, onbevattelijk, maar tegelijkertijd hoe onwaarschijnlijk mooi, in alle dieptes en hoogtes die te beleven zijn. Ook laat hij zien hoe een artistieke waarheid misschien meer het menselijke mysterie nadert, juist door haar intact te laten, dan een wetenschappelijke studie.

 

Misschien hebben we inmiddels alle taboes doorbroken die er bestaan. Vaak wordt het doorbreken ervan gezien als een mijlpaal. Toch is er ook een keerzijde. De seksuele revolutie van de jaren zestig heeft Van Eeden niet meegemaakt, maar zelfs mét die revolutie en alle openheid, is de individuele worsteling met gevoelens van genot en juist de onthouding daarvan, niet plotseling weggenomen. Hetzelfde geldt voor de zoektocht naar het hogere, of spirituele. Van Eeden werpt met zijn boek een bijzonder licht op de grillige schoonheid van die individuele weg, maar ook op alle mogelijke botsingen met andere, net zo unieke karakters.

 

Een groot compliment voor de hertaler is hier ten slotte op zijn plek. Kroezemann heeft juist het fijnzinnige van Van Eedens stijl zo goed weten te behouden. In het nawoord staat dat hij in zinnen heeft geknipt, de zinsvolgorde en alinea’s wat heeft aangepast. Toch is juist de rijkdom van de oorspronkelijke tekst zo goed bewaard gebleven. Er is niets aan sfeer verloren gegaan. Het leest nog steeds als een roman uit 1900, zonder dat je daar nu als iets minder ervaren lezer nog over hoeft te struikelen. Dat laatste maakt dat dit prachtige boek nu veel toegankelijker is geworden en nog veel meer lezers kan overrompelen.


Dietske Geerlings

 

 

Frederik van Eeden – Van de koele meren des doods. Hertaald door Albert Kroezemann. Uitgeverij kleine Uil, Groningen. 348 blz. €25,00.