'Misschien hadden we zelfs nooit bestaan'
Bespreking van 'Een hond aan mijn tafel' van Claudie Hunzinger

Je kunt een verwaarloosde en mishandelde hond binnenlaten, verzorgen, geruststellen. Je kunt hem bij je aan tafel noden en je kunt zelfs je bed met hem delen. Voor Sophie, de hoofdpersoon uit Een hond aan mijn tafel, de in 2022 met de Prix Femina bekroonde roman van Claudie Hunzinger, is het allemaal vanzelfsprekend. Samen met haar metgezel Grieg leeft ze een teruggetrokken bestaan aan de rand van een bos in de Vogezen, als op een dag de hond haar hut nadert. Deze excentrieke roman biedt de mogelijkheid om je langere tijd af te zonderen en je midden in de natuur te wanen.
Allereerst zijn de personages nogal zonderling. Sophie neemt als schrijfster weliswaar af en toe de trein naar grote steden om haar boeken te promoten, maar het grootste deel van haar tijd dwaalt ze door het bos en de bergen. Ze kan uren in bijna dezelfde houding op een plek zitten van waaruit ze de natuur of de mensen op een parkeerplaats midden in het bos beschouwt. Je volgt haar indrukken, gedachten en herinneringen:
‘Als ik goed zat vormde ik één geheel met het graniet, dat huiverde met zijn hele huid van kwarts, veldspaat en mica. Eén geheel met de bremtakken, die zelfs ’s winters groen blijven en waarvan de geur het wrange van het werkelijke leven had. Het leven is wrang. De ware smaak ervan is wrangheid. De uitgelezen wrangheid van zijn wreedheid. Soms kan het leven een bittere smaak hebben, beter dan wrangheid, bitter en ongezoet, zoals het bittere van de kleurloze alcohol uit de wortelstok van de gentiaan waarvan ik soms een klein flesje bij me had, zodat ik me nooit zo goed voelde als zittend in die stoel, nooit zo sterk het genoegen voelde om niet meer bij de mensen te horen, terwijl ik degenen die langskwamen wel hartstochtelijk kon begluren.’
Ze vertelt over haar schrijverschap, over haar leven met Grieg en hun afzondering van de rest van de wereld. Grieg oogt als een halve wilde, en is iemand die zich niets laat wijsmaken, overal genoeg van heeft, vooral van de wereld. Hij doet niets anders dan tussen zijn boeken zitten en lezen.
Behalve dit tweetal zelf, is ook de ruimte waarin ze leven nogal uitzonderlijk: een grote, lege ruimte van een oud, twaalf meter lang gebouw. Tegen de achtermuur staat een voorraad levensmiddelen opgestapeld. Er is geen bank, er zijn geen leunstoelen, maar midden in de ruimte staat alleen een grote tafel met stoelen. Er is een minimale keukenhoek en in de andere hoek een douche. Verder niets, geen prullen, geen rommel. Daarbuiten zijn alleen maar bossen en het firmament, voortdurend in beweging, de jaargetijden volgend. Zo kunnen ze in de winter zo ingesneeuwd raken dat ze langere tijd niet meer naar buiten kunnen.
De hond, die door Sophie meteen ‘Yes’ – ‘Het kwam in een flits in me op, and yes I said yes I will yes’ – wordt genoemd, wordt door hen beiden direct opgenomen in hun samenzijn, tot en met het bed, dat beiden hebben gebouwd van opgestapelde kranten met daarop hun twee matrassen: ‘We sliepen dus op het wereldnieuws, de nieuwsberichten die van dag tot dag in het niets verdwijnen om door de volgende te worden vervangen, we sliepen erop, we negeerden het.’ Ze omhelzen elkaar soms als ‘overlevenden, met de deur dicht tegen de hyena’s. Hartstochtelijk.’ De eerste nacht doen ze geen oog dicht, omdat ze ontroerd zijn door elkaars weerloze lichamen. Sophie bedenkt dat ze bijna aan het vergeten is dat ze geen dieren zijn en dat ze daardoor haar menselijke waardigheid aan het verliezen is.
De bouwstenen van de roman, de personages, de ruimte en de gebeurtenissen (als je die al zo kunt noemen) zijn dus op z’n zachtst gezegd bijzonder, maar dat geldt ook voor de stijl. Naarmate het verhaal vordert, lijken de drie steeds meer deel van de natuur te worden, en omdat ze niet meer de jongsten zijn, voel je hun vergankelijkheid bijna als het afsterven van bloesem en bladeren. Hun wereld wordt steeds kleiner en als Sophie door het bos dwaalt, zoekt ze soms speciaal een plek op waar ze door de bosjes het huis niet meer kan zien. Dat zorgt voor haast surrealistische beschrijvingen:
‘Ik keek zoekend rond, het was verdwenen. Dan overdacht ik in hoeverre Grieg, Yes en ik ook waren verdwenen. Pure fictie waren geworden. Een verzinsel in een boek. Misschien hadden we zelfs nooit bestaan. Of bestonden we niet meer terwijl we bestonden, wat als manier van denken heel goed mogelijk is: twee tegenstrijdige termen naast elkaar.’
Als je weet dat Hunzinger zelf als schrijver en beeldend kunstenaar samen met haar man op een boerderij in de Vogezen woont, en je ziet de prachtige auteursfoto te midden van de natuur, achter in het boek en op de achterflap, dan vloeien schijn en wezen naadloos in elkaar over en is het of je als mens zomaar in je omgeving kunt opgaan. Niemand die het merkt. Het schrijnt en het troost tegelijkertijd.
Dietske Geerlings
Claudie Hunzinger – Een hond aan mijn tafel. Vertaald uit het Frans door Martine Woudt. Uitgeverij Oevers, Zaandam. 274 blz. €22,50.