'Maar hij sliep en ik was alleen'


Bespreking van 'Niets groeit in het maanlicht'  van Torborg Nedreaas

Het is ronduit frustrerend te noemen als je het verhaal moet aanhoren van iemand die alles dwars door elkaar vertelt, in herhaling valt en steeds haar verhaal onderbreekt om wijn te drinken. Zo’n verhaal lézen lijkt een nachtmerrie voor de literatuurliefhebber die van samenhang houdt. Niets groeit in het maanlicht van Torborg Nedreaas ís zo’n nachtmerrie, maar dan wel de allermooiste en meest hartverscheurende die ik ooit las. Nedreaas is een van Noorwegens meest geprezen auteurs van de twintigste eeuw, maar pas nu wordt haar werk ook door de rest van de wereld opgemerkt. Deze adembenemende roman is al van 1947. Het is te hopen dat er nog meer van haar vertaald zal worden.

 

Het boek is een raamvertelling. De ik-verteller is al dertien dagen op zoek naar een vrouw met een rode koffer. Hij vond haar op een perron, terwijl ze op de trein wachtte. In een impuls ging ze met hem mee en in zijn woonkamer vroeg ze hem of hij haar lichaam of haar verhaal wilde. Hij kiest voor het laatste en dat leidt tot een stroom aan bekentenissen die hem, maar ook de lezer niet meer loslaat.

 

Het duurt een poos voor het verhaal op gang komt. Ze heeft vooral veel wijn nodig om haar verhaal te kunnen doen en ze wil zeker weten dat ze hem niet verveelt. Hij mag niet in slaap vallen, want ze moet haar verhaal koste wat het kost kwijt. Je voelt dat de dood haar op de hielen zit en dat er geen uitweg is. Haar verhaal is echter zo onsamenhangend, dat je er wanhopig van wordt. Echter, gaandeweg het verhaal raak je zo gehecht aan deze getormenteerde ziel dat je haar alleen nog in je armen zou willen nemen en zachtjes wiegen.

 

De vrouw komt uit een arm mijnwerkersgezin met een moeder die zich kapotwerkt en een vader met stoflongen. Ze heeft een oudere zus en een jongere broer. Al op jonge leeftijd raakt ze hopeloos verliefd op haar docent, Johannes. Het is wederzijds, maar hun liefde is onmogelijk in de samenleving van toen.

 

Het verhaal raakt tot op het bot en laat niets over van de menselijke waardigheid. Genadeloos beschrijft ze hoe afhankelijk ze is van zijn liefde, terwijl ze geen enkele zekerheid krijgt, hoe ze op zeer jonge leeftijd zwanger raakt van hem en hij haar geld geeft om het weg te laten halen. De beschrijving daarvan is zo gruwelijk en intens verdrietig, dat je denkt dat het niet erger kan. En dan heb je bij lange na de bodem nog niet bereikt. Haar verhaal laat alle kanten van de liefde zien tot in de uiterste hoekjes: de gelukzaligheid ervan, maar ook de stinkende, walgelijke randjes en de ondraaglijke eenzaamheid.

 

Je volgt de weg van een jong meisje, nog zo vol van alles en je ziet hoe haar kwetsbare wezen stukje bij beetje wordt aangetast door het leven:

 

‘Dat was de eerste keer dat we samen sliepen. En ik leerde toen iets nieuws, iets waarvan ik niet wist dat het onderdeel was van het menselijk bestaan… de eenzaamheid van de dood. Hij sliep in mijn armen, we lagen in elkaar verstrengeld… maar hij sliep en ik was alleen.

Helemaal alleen. Een gevoel van eenzaamheid knaagde aan me, ik had geen idee dat zoiets bestond. In de armen van degene van wie je houdt ben je eenzamer dan wanneer je in je eentje op de maan zou zitten… maar dat wist ik toen nog niet. Nu weet ik het wel, dat je nooit eenzamer zult zijn dan wanneer je houdt van degene die naast je in slaap is gevallen.’

Dan gaat ze in de ochtend naar buiten en ervaart de troost van de natuur: ‘Want terwijl ik afdaalde, waren de tranen aan de bomen plotseling gaan knipogen en glinsteren, en er kroop een roze gloed achter de bergen vandaan, en de dahlia’s en de asters in de tuinen waren begonnen te gloeien in het grijs, ze glommen als juwelen in de schaduw.’

 

Nedreaas’ stijl meandert van rauw naar overrompelend romantisch en weer terug. Haar gedachten over het leven zijn zo ernstig en waar dat je na het lezen bijna een knoop in de maag voelt. Haarscherp laat ze zien hoe haar ziel met geen mogelijkheid die van Johannes weet te vinden, terwijl ze toch zielsveel van hem houdt. Als zij Decamerone aan het lezen is, verbindt ze alles wat ze leest met haar eigen leven en de wereld om haar heen. Ze ziet verbanden en er komen vragen bij haar op. Ze brandt van verlangen om het met Johannes hierover te hebben, maar hij begrijpt er niets van, terwijl het voor haar zo belangrijk is dat hij begrijpt wat er in haar omgaat. Dan vraagt ze hem waar híj dan aan denkt als hij zulke boeken leest. Hij zegt dan alleen dat hij ze wel interessant vindt. Verder komt hij niet. Wanhopig wordt ze ervan.

 

Er staan tenenkrommende stukken in het boek, waarbij ze al rokend en drinkend vastloopt in haar verhaal en verstrikt raakt in diverse sporen, maar je voelt hoe deze vrouw juist door deze wanorde waarachtig wordt vormgegeven. Deze stukken worden afgewisseld met onwaarschijnlijk mooie beschrijvingen van haar zielenroerselen. Ik ken eigenlijk maar weinig auteurs die dat op vergelijkbare wijze kunnen. Frederik van Eeden misschien in zijn Van de koele meren des doods. Proust en Woolf ook. Zo belandt het jonge meisje bij een al net zo gebroken organist Morck, die speciaal voor haar in de kerk de toccata en fugue in d mineur van Bach speelt en haar door zijn spel tot bijna mystieke inzichten brengt. Vanaf dat moment gelooft zij dat hij haar enige vriend is die door zijn spel haar kan helpen om verder te komen in het leven.

 

Ze denkt na over de armoede van het gezin waar ze uitkomt, die zo sterk contrasteert met het leven van de rijken, zoals de apothekersdochter voor wie Johannes uiteindelijk valt. Ze ziet haarscherp hoe eigenaars van de mijnen van een afstand hun winst niet inzetten voor verbetering van de arbeidsomstandigheden van de mijnwerkers, maar voor hun eigen kapitaal. Net zo scherp zet ze neer hoe niemand zich bekommert om de misère van jonge vrouwen die hun zwangerschappen moeten afbreken onder de meest gruwelijke omstandigheden, omdat mannen het niet zo handig vinden als er nog een mond om te voeden bijkomt, of omdat ze nog niet getrouwd zijn en de hele gemeenschap daar een oordeel over heeft. Deze gruwelen contrasteren bizar met haar ragfijne beschrijvingen van wat er voor wonderbaarlijks en moois gebeurt in een vrouwenlichaam tijdens de zwangerschap.

 

In alle wanorde stuwt het verhaal naar een afschuwelijke afgrond. Hoe kan het verschrikkelijke zo intens mooi zijn? Je raakt volledig in de ban, maar een groot geluk en tegelijkertijd ongeluk is dat je dit verhaal niet hoeft los te laten, want het blijft je vermoedelijk voor altijd bij.