Schroom en verwondering


Bespreking van 'Plant, mens, dier' van Ida Gerhardt

In brons kijkt ze over de IJssel, klein, eenvoudig, maar zo fier rechtop, in weer en wind. Je zou bijna denken dat ze onaantastbaar is, maar uit Plant, mens, dier, waarin verschillende essays en lezingen over de kunst en natuurbehoud van Ida Gerhard (1905-1997) zijn verzameld, blijkt juist haar bijzondere fijnzinnigheid en ontvankelijkheid voor alles wat leeft.

 

Als je terugkijkt op iemands leven, zie je algauw de verdiensten: Gerhardts werk als docent klassieke talen, de prijzen die ze gewonnen heeft voor haar poëzie, de beroemde psalmberijmingen. Voorin in de bundel is een kort overzicht opgenomen van Gerhardts leven en werk. Als je dan leest dat zij tussen 1933 en 1939 geen leraarsbetrekking kon vinden tijdens de wereldwijde economische crisis voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog en daardoor lange tijd nauwelijks kon rondkomen, voel je ook de betrekkelijke willekeur van een mensenleven in een afgebakend stukje tijd, in haar geval dan in elk geval meer dan negentig jaar.

 

Misschien is dat juist wel de kracht van deze bundeling: door Gerhardts lezingen, maar ook door Koenens reflectie erop en ordening ervan, komt iets essentieels bovendrijven, namelijk dat het vooral de ongrijpbare verwondering en aarzeling in de mens zijn die niet alleen de motor vormen voor de kunst, maar ook voor het behoud van de natuur: ‘De grondslag van mijn dichterschap is een grote verwondering en schroom tegenover al het geschapene, tegenover de geschapen mens misschien het meest.’

 

Zo zie je hoe Gerhardt vaak heel persoonlijke ervaringen uit haar jeugd aanwijst als de kwetsbare wortels van gedichten of gedachten die op latere leeftijd naar boven komen: in haar vader die voor haar ogen met zijn ambacht als timmerman een ingenieus patroon van bloemen en vlakken ontwerpt voor de deksel van een naaidoos voor haar moeder, is haar diep ontzag voor meetkunde geworteld. Zoals de vlakken en bloemen naadloos in elkaar passen, zo is ook Gerhardts poëzie een ingenieus samenspel van ritme, klank en betekenis. Tegelijkertijd voel je de bezieling eronder, die het meetbare en de orde schoonheid geeft.

 

Niet alleen voor haar eigen kunst ziet zij die wortels, maar ook als zij naar een kunstwerk van Rembrandt kijkt: zijn schilderij kan een afbeelding laten zien van een Bijbels tafereel, maar in die figuren zie je ook het persoonlijke leven en de persoonlijke relaties van Rembrandt weerspiegeld en juist die verbondenheid van het persoonlijke en universele raakt ons zo diep.

 

Gerhardt laat een diep respect zien voor alle vormen van schepping, dat ze van huis uit heeft meegekregen. In haar lezing over het houden van beesten legt ze uit hoe niet alleen een hond vals kan worden, als ouders hun kind het dier geven uit een soort gemakzucht, maar ook het kind zelf, dat namelijk evengoed verwaarloosd wordt als het geen respect krijgt aangeleerd voor de hond. Samenleven is een kwetsbaar spel van afstemming op elkaar, luisteren en je in de ander verplaatsen:

 

‘Veel wordt mij door mensen, vooral door jonge mensen, aangereikt, zonder dat zij dit zelf weten. Het vers is dan een uiterste poging om hen te doen weten dat ik begrijp wie zij zijn en achter hen sta. Dit heeft, zonder dat ik er ooit één woord over zei, mijn lesgeven altijd in hoge mate bepaald. (Kenmerkend is dat bijna al mijn bundels aan iemand zijn opgedragen, of dat nu voorin staat, of niet.)’

 

Gerhardt heeft o.a. lesgegeven op De Werkplaats van Kees Boeke in Bilthoven, waar kinderen de gelegenheid kregen om zich ‘door allerlei soorten werk optimaal te ontwikkelen naar eigen aard en aanleg. Klasse, religie of status mochten geen rol spelen. Handenarbeid was belangrijk, vooral activiteiten ten bate van de school zoals schoonmaken, tuinieren, koken en het maken of repareren van meubels en leermiddelen. Ook werden er tal van culturele vakken aangeboden, waaronder muziek, toneel, tekenen en ritmiek.’ Ook hier zie je een bijzondere samenhang terug tussen ambacht en schepping.

 

De lezingen en de reflectie erop zijn interessant voor de samenleving van nu, waarin veel bedrijven en organisaties, maar ook de individuele consument, het liefst alles wat tijd en moeite kost, uitbesteden aan de techniek of aan anderen, om zelf maar een zo comfortabel mogelijk leven te leiden. Als je Gerhardts bespiegelingen goed tot je laat doordringen, is het maar de vraag of je dat ooit gaat bereiken, omdat de voldoening juist sterker is, wanneer zij gegrond is in respect voor de arbeid die eronder ligt, zoals het uitzicht op een berg je diep kan ontroeren, als je zelf naar boven geklommen bent, óf, als je daartoe niet meer in staat bent, ten diepste de kracht en arbeid van de ander op waarde weet te schatten, die jou naar boven heeft gerold.

 

 

Dietske Geerlings

 

Ida Gerhardt – Plant, mens, dier; Proza over de kunsten en natuurbehoud. Samengesteld en ingeleid door Mieke Koenen. Atheneum-Polak & Van Gennep, Amsterdam. 208 blz. €19,99.