De kracht van poëzie, zelfs als het een roman betreft


Bespreking van 'Tot alles in beweging komt' van Naomi Perquin

Als dichter kun je je debuutroman maar het beste beginnen met poëzie: ‘De eerste keer dat mijn vader stierf deed hij dat alleen voor mij,’ is de openingszin van Tot alles in beweging komt van Ester Naomi Perquin. En godzijdank stopt de poëzie niet na die eerste zin, maar gaat verder: ‘Hij lag beneden, in de schemerige tuinkamer met het beige behang, in het bed met de metalen relingen, waar plastic slangen omheen kronkelden. Op zijn borst zaten ronde stickers geplakt. Daaruit kwamen gekleurde draden, die in een ondoorgrondelijk apparaat verdwenen; een kistje dat aan de rechterkant van zijn bed stond en waar niemand aan mocht komen. In dat kistje werd zijn hart bewaard, verborgen onder een paneel met knopjes en lampjes.’ Er is hoop voor de literatuur als dichters ook romans durven gaan schrijven, omdat zich dan een waarheid openbaart die de werkelijkheid het nakijken geeft.

 

De gordijnen die op het omslag van de roman uit het raam wapperen, zijn betekenisvol, omdat je vermoedt dat je nu eindelijk zicht krijgt op wat zich erachter bevindt. Dat kan van alles zijn: het verleden van het gezin waarin je bent opgegroeid, de ware betekenis van jouw rol als gevangenisbewaarder. Echter, hoe je ook probeert zicht te krijgen op wat zich daarachter openbaart, je grijpt mis en weet eigenlijk zelfs niet eens of je nu buiten staat of binnen, terwijl je hoe dan ook de gordijnen ziet wapperen. Je voelt alleen dat er iets in beweging komt. 

 

Ela, de ik-persoon van de roman, is gevangenisbewaarder geweest en heeft daar ooit eerder verhalen over geschreven, waarvan ze dacht dat anderen die graag zouden lezen. Het spreekt immers tot de verbeelding om dagelijks tussen deze ‘zware jongens’ te werken. Nu dringt zich echter een ander verhaal aan haar op, de keerzijde van het werk, de kant waarvoor eigenlijk niemand je waarschuwt:

 

‘Ze vertellen me niet veel over de lichamen die ik zal zien, niet gedetailleerd, hooguit grappend over huidskleur of formaat, maar ik leer ze kennen, intiemer en scherper dan die van mijn eigen broers; de billen, de ruggen, de wonden, de geamputeerde ledematen, de tatoeages (traantjes op wangen, nummers en symbolen op onderarmen, ACAB op de knokkels van één hand), de vlechtwerken van rastahaar, de kalende kruinen, de dikke bossen schaamhaar, borsthaar, rughaar. En de pikken. Ik heb nog nooit zo veel verschillende pikken gezien – bij het tellen en oversluiten voor de nachtdienst, bij de isoleercel, bij het beantwoorden van een celoproep, onbedoeld of opzettelijk, in erecte staat of achteloos bungelend – ik wist niet dat er zo veel verschillende bestonden, ze hebben het niet gezegd en ik heb er nooit eerder over nagedacht.’

 

Passeert de vertelster hier al een onzichtbare grens, de grens van het betamelijke, van een naderend ongemak? Of doet ze dat pas een alinea verder, waarin ze ook inderdaad tot in details beschrijft welke vormen ze allemaal is tegengekomen? Er wringt iets. Het gaat om een beschrijving van de intieme lichaamsdelen van mannen die zelf over de grens zijn gegaan, die iemand hebben verkracht, of zelfs van het leven beroofd. Zijn ze dan vogelvrij? Worden ze niet voor niets aan het zicht onttrokken, en klapt de vertelster nu uit de school? Grenzen deze beschrijvingen niet aan een vorm van wraak, machtswellust?

 

De vertelster gaat nog een stap verder als ze beschrijft hoe broeierig de sfeer is door de hormonale lading, hoe je na verloop van tijd ‘een leerachtige geur van samengebalde hunkering’ gaat herkennen, waar je last van krijgt: ‘Ik word er vochtig van, instinctief – als ik thuiskom en me omkleed merk ik het pas; glinsterende sporen van het dier waarin ik ben veranderd.’ Dan lijken de rollen juist weer omgekeerd, alsof de vrouwelijke cipier niet anders dan aangetast, misbruikt kan worden in dit werk, zonder dat zij ervoor gewaarschuwd wordt, alsof dit alles haar eigen schuld is.

 

Door deze inkijk opent de vertelster een onzichtbaar raam, waardoor alles in beweging komt. Niets staat meer op de vaste plek. Lang voordat zij deze inkijk geeft, is ze al begonnen haar eigen geschiedenis te schrijven, die begon op de eerste bladzijde met de doodstille vader in de kamer beneden, waar de Ela als kind toeschouwer is. Vandaaruit komt een wereld tevoorschijn, waarin op de eerste bladzijde ook al haar moeder en haar twee broers Micha en David zich bevinden. Wat er precies gebeurd is, ligt ergens in het verleden besloten. Je kunt zeggen dat het verleden vastligt, dat je er niets meer aan kunt veranderen, maar klopt dat wel? Als je Tot alles in beweging komt leest, krijg je het gevoel dat in het verleden eigenlijk niets op een vaste plek ligt. Zelfs Ela’s eigen herinneringen veranderen voortdurend van vorm.

 

Zodra ze met een ander in gesprek gaat over datzelfde verleden, blijkt dat alleen al door dat andere perspectief alles waarvan ze dacht dat het vastlag, alles verschuift: ze probeert betekenis te geven aan de bijzondere uitspraken van haar moeder. Ze hoort het nuchtere, beschouwende commentaar van haar broer Micha. Ook haar tante tilt een tipje van de sluier op. Wie ging er schuil achter die doodstille vader? Waardoor is David zo ontspoord? En wie was Ela’s eerste liefde, de man die zoveel ouder was dan zijzelf? En dan ziet de lezer hoe ook Ela langzaamaan van vorm verandert, letterlijk door het kind in haar buik, maar ook door alles wat in en om haar heen intussen in beweging is gekomen.

 

De kracht van dit boek zit in een bijzondere vorm van ‘openbaring’. Niet zozeer in het onderwerp, ook niet in wat er gebeurt, maar in het ‘hoe’: de taal die laagje voor laagje iets baart wat al die tijd al open voor ons ligt, ongrijpbaar, hartverscheurend, onbegrijpelijk bovendien, omdat we altijd ook zelf nog deel uitmaken van wat in beweging komt. Precies dat is de kracht van poëzie.

 

 

Dietske Geerlings

 

 

Ester Naomi Perquin – Tot alles in beweging komt. Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam. 304 blz. €23,50.