Sociale ongelijkheid in Fabriekskinderen van J.J. Cremer
Bespreking door Julie Klaver (leerling vwo 5 van het Eligant Lyceum Zutphen)

Nederland was in de 19e eeuw in de ban van de industriële revolutie. De industriële revolutie bracht economische groei, maar had ook een sombere kant: kinderarbeid nam snel toe. Jacob Jan Cremer (1827-1880) schreef in 1863 Fabriekskinderen als aanklacht tegen de uitbuiting van kinderen (Jacob Jan Cremer, z.d.). De novelle werd een krachtig literair werk waarin Cremer niet alleen focuste op de schrijnende situatie van de kinderen, maar ook de diepere maatschappelijke ongelijkheden van die tijd bekritiseerde. Hoe gebruikte Cremer kinderarbeid om de bredere ongelijkheid in de 19e-eeuwse samenleving bloot te leggen?
Ten eerste werd kinderarbeid in Fabriekskinderen beschouwd als een gevolg van bredere maatschappelijke ongelijkheid en niet slechts als een op zichzelf staand probleem. Arme gezinnen stuurden vaak hun kinderen naar de gevaarlijke fabrieken om geld te verdienen en hun gezin te ondersteunen in het overleven. Saartje, Evert en Sander uit Fabriekskinderen zijn voorbeelden van kinderen die moesten meehelpen overleven. Ze moeten lange dagen maken in de fabriek, vaak zonder voldoende slaap of voedsel. Hun ouders verdienenden niet genoeg om rond te komen, vanwege de vader die niet kon werken door een blessure, daardoor moesten de kinderen ook werken:
Een klein kwartier later beweegt zich een schamel drietal kinderen in de nog onbevolkte straten van Leidens achterbuurt. [...] Sander kan ‘t niemendal schelen; hij wil er gaan liggen, hier op die stoep, en - met het handje waarin nog de kruimels van de straks gekregen en haastig opgegeten koude aardappel kleven, wrijft hij zich steeds en alweer langs de loodzware oogleden: hij wil niet verder - weet je, hij wil niet! (Fabriekskinderen, 1863, p.14)
Voor fabrikanten zijn de kinderen vaak goedkoper en verhogen hun productie, hierbij houden ze alleen geen rekening met het welzijn van de kinderen. De uitbuiting van kinderen staat symbool voor de ongelijkheid in de samenleving. De kinderen werken om hun familie te helpen en niet omdat ze het willen (Het Kinderwetje van van Houten, 1860). Die manier van leven zou in het verhaal aantonen hoe de armen in de 19e eeuw vastzaten in een vicieuze cirkel van armoede. Het werk toont aan dat kinderarbeid slechts een symptoom was van een veel dieperliggend probleem: een maatschappij waarin de armen geen enkele bescherming kregen en gedwongen waren hun kinderen op te offeren aan de fabrieken om te overleven. Cremer benut de situatie van de fabriekskinderen om een bredere vraag te stellen over rechtvaardigheid en gelijkheid in de samenleving.
Ten tweede werd de kloof tussen de armen en de rijken goed zichtbaar in de novelle. In het verhaal is het contrast goed te zien door te kijken naar de arme fabriekskinderen en een welgestelde student genaamd Willem van Hogenstad. Willem leidt een luxueus leven terwijl kinderen zoals Sander uitgehongerd op straat slapen. Dit contrast benadrukt hoe verschillend de levens van de arbeidersklasse en de elite waren in die tijd. De jonge student vindt Sander op straat en neemt hem mee. Willem wordt geconfronteerd met iets wat hij nog nooit eerder heeft gezien: het leven van een kind uit de fabriek. Dit moment laat zien dat de elite niet wist waar de armen mee te maken hadden in het dagelijks leven, omdat ze in twee compleet verschillende werelden leefden en de elite niet naar de armen omkeek (Visser, 2018):
Daar ligt een knaapje, ellendig gekleed, met het hoofdje rustend op de kleine arm, en die arm gekromd op de scherpe rand van een lage stoep. [...] Hem meenemen! Waarachtig! Zo’n arme drommel! (Fabriekskinderen, 1863, p.21)
Ten derde legt Cremer in zijn novelle de schuld voor de uitbuiting van kinderen bij de fabrikanten. Zij zijn alleen maar gedreven door winstbejag en concurrentie en zouden hun hand niet omdraaien voor de kinderen in de fabriek. De fabrikanten zijn geobsedeerd met het idee van geld verdienen. Er was geen aandacht voor de productiemiddelen, de kinderen die niet worden behandeld als mensen. Door de concurrentie werden fabrikanten gedwongen om hun kosten te verlagen. Kinderarbeid werd gezien als een oplossing, omdat kinderen goedkope arbeidskrachten waren voor de fabrikanten. De ongelijkheid in de samenleving was dus niet alleen het gevolg van armoede, maar ook van de manier waarop het economische systeem functioneerde. Cremer bekritiseert dit systeem, waarin winst belangrijker is dan het welzijn van de mensen die het werk uitvoeren (Fabriekskinderen. Een Bede, Doch Niet Om Geld, z.d.):
Wat we willen, wij kunnen het niet; ééne is er die 't ons belet, en haar naam is: CONCURRENTIE!’ Hoe! Zou zij de moordenaresse dier arme kinderen zijn, zij de schoone kloeke vrouw die de leuze der vrijheid in hare banier voert? (Fabriekskinderen, 1863, p.35)
Ook Cremer is van mening dat de elite verantwoordelijk is voor de ongelijke verdeling van kansen en rijkdom en dat de overheid niet langer kan wegkijken van het probleem van kinderarbeid. Zijn novelle was een aanklacht tegen kinderarbeid in de vorm van een boek, een oproep tot bredere hervormingen die de structuur van de samenleving moesten veranderen. Cremer is voor een sociale en politieke hervorming waarin kinderen, net als volwassenen, rechten hebben en beschermd worden tegen uitbuiting:
En ja, die arme fabriekskinderen, ze worden vermoord naar ziel en naar lichaam. [...] Slechts wat ik zelf gezien of gehoord, of ook door ooggetuigen heb vernomen, gaf ik u weer in vluchtige trekken. (Fabriekskinderen, 1863, p.34)
De novelle had een grote impact op het publieke debat over kinderarbeid in Nederland (Voor Grote Veranderingen Zijn Grote Gebaren Nodig, z.d.). In 1874 werd de eerste wet tegen kinderarbeid ingevoerd, ’’het Kinderwetje van Van Houten’’. Deze wet verbood het werken van kinderen onder de twaalf jaar in fabrieken. Hoewel de wet niet alle problemen oploste, was het wel een belangrijke stap naar de erkenning van de rechten van kinderen en sociale rechtvaardigheid. Het verhaal blijft een belangrijke herinnering aan de noodzaak van sociale rechtvaardigheid en de verantwoordelijkheid van de overheid en de samenleving om de meest kwetsbaren te beschermen.
Kortom, Cremer gebruikte in Fabriekskinderen kinderarbeid niet alleen om de schrijnende omstandigheden van de kinderen aan te kaarten, maar ook om de bredere sociale ongelijkheid van zijn tijd aan de kaak te stellen. Door de levens van fabriekskinderen te beschrijven, toonde hij de uitbuiting van de arbeidersklasse aan in contrast met de privileges van de elite, en stelde hij de fundamentele vraag naar rechtvaardigheid en menselijke waardigheid in de samenleving. Er is sinds de 19e eeuw veel gedaan om kinderarbeid tegen te gaan, maar in 2020 waren er nog steeds 160 miljoen kinderen die kinderarbeid verrichtten (Ministerie van Buitenlandse Zaken, 2024).
Bronnenlijst:
- Ministerie van Buitenlandse Zaken. (2024, 10 mei). ‘Onaanvaardbaar: helft 160 miljoen kindarbeiders is zeer jong’. Ministeries | Rijksoverheid.nl. https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-buitenlandse-zaken/het-werk-van-bz-in-de-praktijk/weblogs/2021/onaanvaardbaar-helft-160-miljoen-kindarbeiders-is-zeer-jong#:~:text=In%202020%20waren%20160%20miljoen,totaal%2080%20miljoen%20jonge%20kinderen.
- Voor grote veranderingen zijn grote gebaren nodig, en. . . (z.d.). Literatuurmuseum. https://literatuurmuseum.nl/nl/ontdek-online/literatuurlab/artikelen/voor-grote-veranderingen-zijn-grote-gebaren-nodig-en-fabriekskinderen-was-een-groot-gebaar
- Jacob Jan Cremer. (z.d.). Literatuurgeschiedenis. https://www.literatuurgeschiedenis.org/schrijvers/jacob-jan-cremer
- Het kinderwetje van Van Houten. (1860). Canon van Nederland. https://www.canonvannederland.nl/nl/kinderwetje
- Visser, Y. (2018, 11 februari). Spanning tussen “elite” en “het volk” in de 19e eeuw. Historiek. https://historiek.net/arbeiders-die-zijn-pas-eng/75575/
- Fabriekskinderen. Een bede, doch niet om geld. (z.d.). Literatuurgeschiedenis. https://www.literatuurgeschiedenis.org/teksten/fabriekskinderen-een-bede-doch-niet-om-geld