Een zeldzaam mooie zee in hond


Bespreking van 'Als zee uit hond'  van Lucas Rijneveld



Bij de dierbaarste bundels blijf ik het liefst nog even op de huid dralen. Zou het mogelijk zijn dat je alleen al door een titel en kaft weet dat dit er weer zo eentje is die je niet los wilt laten? Als zee uit hond, de nieuwe bundel van Lucas Rijneveld is zojuist verschenen, en de titel schudt zich langzaam uit. Een hond kan na een sprong in zee deze zee weer van zich afschudden als hij eenmaal op het strand staat, maar wat als de zee uit de zeehond is verdwenen, hoe verweest zal hij achterblijven? Met de vacht nog om je heen en de herinnering aan golven aan je voeten, zie je hoe een vliegtuig zich losmaakt uit de zeeblauwe letters op de kaft. Dat overrompelende – het niet zien aankomen dat taal zo kan raken – dat is wel de kracht van deze Rijneveld.

 

[… ] Alleen het woord

Tuimelen kan ik niet weghalen, volgens mijn redacteur

ben ik een tuimelaar van de eerste orde, en stort de tekst in

zodra ik mijn natuur te veel ga opschonen, maar die klap,

ja, daar is wel wat aan te doen. Misschien herschrijf ik

de grond richting matraszacht. […]

 

Interessant is hoe er in het gedicht ‘Om mee te nemen’ wordt verwezen naar de instructies van de redacteur. Je weet natuurlijk nooit of dit ook daadwerkelijk onderwerp van gesprek is geweest tussen Rijneveld en redacteur, maar dat doet niet per se ter zake, omdat het van zichzelf al betekenisvol is hoe de dichter het grillige schrijfproces van schrijven en weer doorhalen oproept. Het beeld van de tuimelaar is schitterend, vanwege de meerduidigheid ervan. Als je tuimelt, ga je over de kop, je struikelt of valt, en wie weet waar en hoe je dan terechtkomt. Iemand die steeds maar zo struikelt, kun je ‘een tuimelaar van de eerste orde’ noemen. Een tuimelaar is echter ook een vrolijk speeltje voor baby’s of peuters, dat je weliswaar steeds kunt omgooien, maar dat steeds weer terug zal bewegen naar het midden, zijn kern. En dan is er nog de dolfijn en de kleptuimelaar in de verbrandingsmotor.

 

Precies dit is ook de ervaring van de lezer: je wordt overdonderd door de veelheid aan beelden en zinswendingen – alsof de woorden, gedachten en zinnen over elkaar heen tuimelen – maar er zit toch ook iets standvastigs in de bundel, een rotsvast midden, waarop je steeds weer terug kunt vallen. Je kunt je afvragen wat dat midden dan precies is, maar dat is heel eenvoudig: dat is de tuimelaar zelf. Ook in voorgaand werk is dat steeds de kracht geweest: juist het ambivalente, de twijfel, het schoorvoetende raakt. De stille balans daarvan is te vinden in de titels van de eerste twee afdelingen: donkerkeer en lichtval. Als je het donker keert, valt het licht, en als het licht valt, keert het donker weer?

 

Rijneveld is een taaljutter. De woorden liggen er al, maar voor het oprapen is de dichter nodig. Je loopt er zo aan voorbij, maar juist omdat ze zo dichtbij voelen, kun je je niet meer voorstellen dat je ze niet eerder zag:

 

Bedenk op tijd dat je nooit te groot zult worden

voor klein geluk, vier het kind dat in je leeft.

Eet biscuitjes als je daar zin in hebt, denk je

niet dik, denk geen pasmaat voor de wereld.

 

Juist met de kinderlijke onbevangenheid zie je een schat in een schelp en daarom ook een zee in een hond. Daarvoor moet je liever geen ‘pasmaat voor de wereld’ denken: ‘mensen die het altijd beter weten, / van hen die de boy uit je willen halen en je / ongevraagd naar hun schepping willen vormen’. Ook zo kun je ‘als zee uit hond’ duiden: als je de zee uit de hond haalt, dan is de zeehond verdwenen en is er een ander schepsel ontstaan: een waarin het niet meer golft en stroomt, maar een die braaf achter je aan loopt?

 

De zee kan ook het verlies zijn dat je altijd met je meedraagt, die veelheid van tranen. Wat als die zee loskomt uit de hond? Dan ontstaan er prachtige regels waarin een broer opdoemt:

 

En in de tuin staat een tafel

waar ooit de zomer aanschoof,

waar mijn zoete broer trompet

speelde, al was hij al jaren

een echo. Ik wil mij het liefst

onder die tafel begraven.

 

Lees niet alleen wat hier staat, maar hóór het ook, zo klankrijk! De ernst hiervan en dan toch ook de zwarte, tragische humor aan het eind van het gedicht: ‘de dood zo nu en dan / aanschuift, de bestekregels / niet kent en met een te / jong iemand vertrekt.’

 

Er zijn talloze verwijzingen naar andere dichters, zoals in het gedicht ‘Insomnia’ naar een combinatie van het gelijknamige gedicht van J.C. Bloem en ook zijn ‘October’. In ‘April fool’ hoor ik de echo van T.S. Eliots ‘April is the Cruelest Month’, maar ook die van ‘Jonge sla’ van Kopland. De taal van de Bijbel drijft mee in de stroom, soms in woorden, soms vooral in zinswendingen, zoals ‘In den beginne’. Het zijn geen loze verwijzingen. Haarscherp weet Rijneveld de worsteling van zoveel jongeren en ouderen in hun zoektocht naar een relatie die standhoudt, tot uitdrukking te brengen:

 

Er is geen liefde zonder strijdtoneel, geen strijdtoneel

zonder liefde. Als ik dit eerder had ontdekt, had ik wat vecht-

en schermhoudingen opgezocht, me los gemasseerd, wellicht

een term bedacht voor het sterven achteraf, na al het samen.

 

Rijnevelds poëzie blijft aanspoelen. Zo vind je een ‘koudbleke viskruik’ en een vaas die ‘valgevaarlijk’ blijkt te zijn. Ik kan niet genoeg krijgen van het schervengeluid van Rijnevelds tuimeling. Laat hij zich vooral weer ‘tot het verkeerslawaai rekenen’, want juist door die tuimelaar blijft de motor draaien.

 


 

Lucas Rijneveld – Als zee uit hond. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam. €22,99.