Eigenlijk net hond
Verborgen in Het Liegend Konijn

Nooit had ik het verwacht, nooit gewild ook, maar jl. kon het eindigen. Is het niet bizar dat deze mogelijkheid al die tijd al verborgen lag in Het liegend konijn? Natuurlijk kun je zo’n liegend beestje niet vertrouwen, want wie zegt dat het hier daadwerkelijk om een konijn gaat? Het is eigenlijk net hond. Af en toe zelfs een link geniethondje. Niet alleen houdt zich in Het liegend konijn een hond schuil, want ook geit, koe, hinde, eend, tonijn, gnoe, hoen, egel, teek en honingeikeltje zijn erin te vinden, maar dan houd je nog allemaal letters over, en voor je het weet jongt hinde ’n eikel. Puzzelen met alle letters van Het liegend konijn is verontrustend én verslavend.
Natuurlijk is Jozef Deleu het boegbeeld van dit veilige toevluchtsoord voor dichters van allerlei pluimage, maar het tijdschrift is niet hele koning JD. Hij is tenslotte heel veelzijdig. Toch dacht ik bij iedere verschijning van een nieuwe editie: hij deelt koningen, niet één keer, hij deelt de hele tijd koningen. Hij leent de koning, hij de lentekoning! Koning helt eindje.
Kunt gij ‘n hond kietelen, dan zit ge eigenlijk al in Het liegend konijn. Het kan zijn dat je op een ochtend aan de oever zit en denkt: ik hengel de tonijn, terwijl je thuis een knijn in lege hoedt vindt. Na een poosje rest alleen nog wat stotteren met te veel letters voor een kernachtige boodschap: ik je heel nodig n t n.
Voor echte dichters houdt Het liegend konijn een mysterieuze, maar wonderschone boodschap verborgen: til je honingdeken! Maar ook: denk heilig en jont, waarbij ‘jont’ een wat ouderwets woord is voor ‘gunt’. Deleu gunde zoveel dichters deze heilige plek! En iedere dichter die van hem een uitnodigingsbrief kreeg, voelde dat hij kind toen engel werd: hé, kind joint engel. God, neen, hij knielt. Voor wie? Voor God, voor de muzen? Als het maar niet voor wiet is: geen joint, kind, hel. Anders wordt het ’t eng onheilkindje, of holte in eng kindje. Toneelkindje hing.
Een heel praktisch advies voor dichters is: leng inkt in hoedje, want poëzie bestaat vooral bij gratie van het hoge lijden en inkt. Als de inkt niet zorgvuldig gelengd wordt met leed, dan eindigt hij in deegklonten. Blijven dichters zich blindstaren op de inkt, dan krijgen zij inktogen. Inktogen lijden, hè. Ja, gij kent hen, idolen. Hijg ’n eend in loket. Ken je ding in hotel. Oen, je ding hinkelt.
Waar is Het liegend konijn nu eigenlijk gebleven? Terwijl het misschien al tijden in ’n egelhok bivakkeert, hinkt ’n jolige eend alvast richting dijkhol negentien. Wie weet is dat zijn volgende verblijfplaats. Ik hoor het beestje zuchten: noh, eindelijk Gent! Hij inde enkel tong, wanneer hij dichters binnenhaalde. Hij en ik tonen geld, terwijl hij geld kon nieten.
Wie ging het konijn ledigen? Wie schoot de kogel in het nijn? Hij kon de lengte in, en hij kon dit legen. Hij, ik dolen ‘n engte. Mist hij tolk en degen in andere landen? En hij int geen dolk. Nu Het liegend konijn ter ziele is, snak ik naar een konijnlegendehit. Welke dichter gaat het schrijven? Maakt uit gekte hij ’n nonlied? Of kent hij ’n dol genie? Hij kent die longen.
Hoe eindigt hij dit enge klonen? Nijg koel in ‘t heden. Hopelijk ontdekken ooit hij en ik ’t gondelen in alle andere letters van het alfabet, zodat ik mij hier niet nog langer schuldig hoef te maken aan het kinnig jodelen, aan deze gein-ode ‘t HLK nijne.