Tekstweefsels


Bespreking van 'Tekstielen' van Sarah de Koning



 

‘Voor een vrouw is het, begrijp dat dan, altijd Scheherazade’ (Renata Adler – Pikdonker) is een van de twee motto’s uit de debuutbundel Tekstielen van Sarah de Koning. Met zo’n motto bereid je je als lezer voor op een tactisch spel van de vrouw, waarmee ze zichzelf voor de ondergang behoedt. Het andere motto komt van Patricia de Martelaere. Daaruit blijkt juist dat de ander (de man?) vooral niet moet denken dat ze de hele tijd met hem bezig is: ‘dit is alleen een stijloefening, ik vind je uit op papier’. Tussen kracht en kwetsbaarheid ontvouwt deze bundel zich als een weefsel van tekst.

 

Het is een vreemd woord, ‘Tekstielen’. Je gaat vanzelf associëren. Er zijn niet zoveel woorden die eindigen op ‘tielen’. Een daarvan is ‘projectielen’. Doordat ze van ‘tekst’ zijn, passen ze bij het tactisch spel van Scheherazade: ze vuurt tekstwapens op de ander af, om zichzelf te beschermen. Tegelijkertijd klinkt het woord als het meervoud van ‘textiel’, weefsel. Dat past bij de stijloefening, het weven van tekst, waarmee ze de ander inspint, of uitvindt.

 

Als je denkt dat je het na de titel gehad hebt met de gekke woorden, dan heb je het mis. Het feest moet nog beginnen. De bundel bevat misschien niet eens zoveel ongewone woorden, maar de manier waarop ze gebruikt worden, is wel vervreemdend te noemen: ‘alsof liefde een weg is en de rit nu al scheel, de straatlampen zich vernauwen tot de knerpende grip van het grind waar hij staat, geklokt in bits licht.’ Bij de eerste paar gedichten dacht ik dat ik gek aan het worden was, mijn hoofd te vol. Ik dacht: zie, dat krijg je ervan als je te lang door blijft lezen en te veel ook. Dan komen woorden ineens in een vreemd daglicht te staan alsof iemand bij de taalkundige en redekundige ontleding per ongeluk de woordsoorten en zinsdelen op de verkeerde plek heeft teruggelegd: ‘pas bij ochtend adem ik uit mijn rillende ziel een sterfte die de loef ophoudt in mijn hoofd, dat de mens een dwalend dier is, zeg je.’

 

Alleen dat is al een tactisch spel van De Koning: je begint aan je eigen verstand te twijfelen en hebt daardoor niet door dat ze je ondertussen heeft ingeweven in een raadselachtige tekst, waar je niet meer uitkomt. Je verslikt je en denkt dat je verdrinkt, maar net als je denkt dat je kunt ontsnappen, raak je ‘Onder de letter, die zoveel te zien krijgt, langzamerhand zo onleesbaar voor mezelf geworden en gewoon; hoewel ik gegroeid ben naar mezelf en glimmend koper de zon in knal met mijn gepolitoerd zeesmoel, golfslag […]’.

 

Als het gaat om het complexe spel tussen geliefden, is het niet zo vreemd als de taal ontspoort en woorden op een totaal vervreemdende manier in elkaar grijpen. Toch kiest De Koning haar woorden zo, dat er toch een betekenisvolle omgeving ontstaat, waarover valt na te denken: ‘Valt het echt uiteen in houden van en houden; wat is halfslachtig verlopen, mijn lief, waar het hele nog geen afscheid van nam, en ben jij net zo dwaas geweest met schoot en hart als ik, nu ik je bel of gloedvol wacht wat in- en uitgaat’. Net als dat je een tekst leest, waarin woorden zijn weggevallen, is het mogelijk om iets te reconstrueren. Je vraagt je alleen af of de brokstukken wel compleet zijn, tot je beseft dat het nooit compleet zal zijn, dat je zelf ook deel uitmaakt van de ontsporing, omdat je al begonnen bent met lezen en je tot je nek toe in de tekst zit.

 

Iets vergelijkbaars schrijft de dichter over haar moeder die onlosmakelijk met haar verbonden is:

 

Hardnekkig deze erfelijkheid ter hoogte van beider boezems, want

beiden hebben we dit toch al meegemaakt, als goed of dorst of

dapper en dempten wij niet uit dezelfde vlek met hetzelfde

drinkende doek, wie immers vervloog toen, waarom, want wat is de

dochter als niet pre-feitelijk, en afstand; zoals toen ik holgeblazen

barstte omdat jij mij triomfantelijk bezielde en ik wilde, joeg ik niet scheldend jou mijn gezicht in, vermomd? Flinterig was ik, maar

wezenlijk; omdat ik dacht te kunnen groeien tot geheel dat de hemel

begeestert, wat dacht ik te vinden aldaar dan, toch jou!

 

Je kunt als dochter zo je best doen om van haar los te komen, bijvoorbeeld door te schelden, maar al scheldend blijk je je moeder je eigen gezicht in te hebben gejaagd. Je wilt groeien tot aan de hemel, omdat je denkt dat je daar zult vinden wat je altijd hebt gezocht, en daar vind je niemand anders dan je eigen oorsprong: je moeder.

 

Soms kun je er geen touw aan vastknopen, maar bij herlezing verschijnen ineens wonderschone stukjes tekst, waarvan je geen idee hebt of de betekenis die je erin vindt, ooit ook in de gedachten van de dichter heeft bestaan. Het vierde deel bracht mij bij Nijhoffs ‘Lied der dwaze bijen’, door de eerste regel: ‘De bijen waren gezongen, zo heet mijn hemel ook een vleugel heeft; zij floot (vliet) onder de vogels.’ Ik lees in deze afdeling een zoektocht, misschien niet altijd naar boven, maar toch. Je weet niet wat je zult vinden, ‘parel’ of ‘doorn’, ‘lief of toorn toorn toorn.’ Je ervaart compassie met de dichter die bang is voor haar eigen ‘inktvinger’:

 

Het jaagt me zoveel angst aan, geef ik toe, die inktvinger van mij die

de beliefde nerf de tafel terug de stronk inbindt; met verschiet en

gemarmerde groei in mijn hand, als kantklos, want de voorziene

ontknoping is me ontstolen omdat jij sneller mint dan mij: voor mij

de honing noch de bij.

 

Wie niet vluchten kan of wil, laat zich inweven door De Konings tekstielen en net als de sultan ben je overgeleverd aan deze Scheherazade. Tussen ‘tek’ en ‘ielen’ staat ‘st’. Deze ‘st’ maakt ‘tekst’ compleet, maar ook ‘stielen’. Een stiel is een ambacht, handwerk. Als je eenmaal bent ingeweven, kun je niet meer ontkennen dat dit bijzondere weefsel zuiver handwerk is.

 

Dietske Geerlings

 

Sarah de Koning – Tekstielen. Uitgeverij Querido, Amsterdam. 96 blz. €19,99.