Licht valt in treden
Bij het afscheid van mijn oud-hoogleraar moderne letterkunde

De dag voordat ik in de Geertekerk afscheid nam van mijn oud-hoogleraar moderne letterkunde, Wiljan van den Akker, stond ik in een klein kerkje in Amersfoort omhoog te turen naar de wonderlijk scheef aan het plafond hangende ladders van Stephan Dean. Afhankelijk van de lichtval kreeg het glas tussen de treden andere kleuren, soms helemaal geen kleur. Hoe je op verschillende manieren naar boven kunt verlangen, dacht ik, toen ik in mijn hoofd wat mensen langsliep die er niet meer zijn, of er misschien alleen nog op een andere manier zijn.
Ik twijfelde eraan of ik zou gaan, naar het afscheid in de Geertekerk, misschien een beetje huiverig voor wat ik zou aantreffen. Ik ben al zo lang geleden, ik zou bijna zeggen ‘gevlucht’ naar Zutphen, de kleine stad aan de IJssel, de rust, de stilte. Ja, ik had mij ook ooit voor het leven gehecht aan het oude Utrecht, waar ik begin jaren negentig Nederlandse taal- en letterkunde studeerde. Soms volgde ik rond zes uur in de Domkerk een mis, alleen maar vanwege de stilte en het duister tussen de zuilen, middenin de drukke stad.
Ook had ik me zo innig gehecht aan Trans 10, dat raadselachtige gebouw, met lange, grillige gangen, hoekjes, opstapjes en oude kamers, de kamer van Redbad Fokkema, bij wie ik student-assistent was, het grote bureau vol dichtbundels en steevast een pakje shag, Gauloises. Ik mocht ze voor hem draaien, omdat het rollen van de shag in de vloeitjes zo fijn voelde. Als niet-roker had ik me zelfs gehecht aan de blauwe rook die daar in de kamer hing, waar we voor mijn gevoel eindeloos gesprekken hebben gevoerd over Lucebert en Faverey. Van de afgrond en de luchtmens en van het witte olifantje tegen de witte achtergrond. Jarenlang stond ik vanwege de herinnering aan die tijd graag naast rokende mensen.
Kun je ook gehecht zijn aan colleges? Alle woorden die Van den Akker uitsprak over Awater en Cheops, schreef ik op mijn kamer nogmaals op, om er zeker van te zijn dat ik alles zou bewaren. Ik heb ook nu de aantekeningen nog. Ik gebruik ze zelfs af en toe voor in de klas. Ook de colleges van Wilbert Smulders over Hermans, metaforisch en metonymisch schrijven, heb ik bewaard, die van Hans Anten over Bordewijk.
Wat bracht me aan het twijfelen om naar het afscheid te gaan? Het verdriet, de totale eenzaamheid en onzekerheid, denk ik, die ik dan wellicht nog weer eens zou voelen. Het verdriet omdat ik pas veel later via via vernam dat Redbad overleden was. Ja, ik was zelf na mijn afstuderen weggegaan, ondanks zijn vraag te blijven voor verder onderzoek. Ik wilde dat niet, omdat ik mij daarvoor niet verder mocht verdiepen in de poëzie, omdat er al andere onderwerpen klaarlagen die mij niet zo lagen, die ‘maatschappelijk meer relevant’ waren, toen al! Bovendien zou ik moeten netwerken, mocht zelfs naar Amerika. Dat alles wilde ik niet, want hoe hoge cijfers ik ook haalde, ik was altijd bang om door de mand te vallen, tussen al deze hooggeleerde heren. Mijn brein werkte anders, leek wel, miste alles wat voor de hand lag, de feiten vooral. De onderliggende structuren beklijfden. Met name in gesprekken was dat hopeloos, alsof mijn brein zich alleen op papier kon openbaren.
En dan was daar dat drinken en roken. Ik was bleu en zo ernstig in mijn liefde voor de literatuur. Ik vermeed de kroeg en mijn medestudenten, die probeerden te vissen naar hoe het daar werkelijk ‘aan de top in de vakgroep’ aan toeging. Ik was ongelukkig als ik alleen was op mijn kamer, omdat ik verder wilde praten over poëzie, mij beter had willen uitdrukken, én ik was ongelukkig als ik op de vakgroep was, omdat ik iets miste wat ik niet onder woorden kon brengen.
Deze week las ik De ontdekking van de vrouw, een hervertelling van De tweede sekse van Simone de Beauvoir, door Alicja Gescinska. Dit essay zette me aan het denken over mijn tijd als student-assistent, waarin ik mij eigenlijk vooral tussen hoge heren bevond. Het voelde alsof je alleen in competitie, met bewijsdrang, een plek kon veroveren daar. Hoe ambitieus ik ook was, iedere vorm van competitie was mij vreemd. Ik keek toe hoe een ouderejaars, Thomas Vaessens, ook student-assistent, vol flair aan het netwerken sloeg en zich vol in de strijd gooide. Ik deed een stap terug en verwonderde mij erover dat ik geen enkele cel in mijn wezen kon vinden waarin deze vaardigheden verborgen zouden kunnen liggen. Ik voelde het schrijnen, omdat ik mij zo graag verder had willen verdiepen. Ik troostte mij met de gedachte dat ik beter af zou zijn tussen wat minder hoge heren en koos de plek in de samenleving waar mijn liefde voor poëzie begonnen was. Een ander moest die liefde dan maar verdiepen.
Ik begreep niet helemaal waarom ik was uitgenodigd voor het afscheid. Al enkele decennia had ik geen contact meer met de vakgroep. Ik was gaan lesgeven op een middelbare school in Zutphen. Enkele jaren geleden ben ik weer gaan schrijven, waar ik vanaf mijn studie mee was opgehouden, omdat ik zo overdonderd was door alle literatuur die ik las. Maar nadat ik al mijn dagboeken had verscheurd, was er iets opengebroken. Er kwamen dichtbundels uit mijn pen, romans, novelles, verhalen en heel veel essays en recensies over literatuur. Zo ook over de poëzie van Esther Jansma.
Af en toe kreeg ik op sociale media hartjes van Wiljan onder mijn stukken of onder een gedicht. Zoiets vervulde me dan toch met trots: het is niet onopgemerkt gebleven bij mijn oud-hoogleraar! Eens stond er middenin de nacht onder een essay, dat hij me een van de beste recensenten van nu vond. Hij had vast een glaasje te veel op, zo dacht ik, want niet lang daarvoor was hij in Zutphen geweest om – in plaats van Esther, omdat ze zo ziek was – haar bundel De spronglaag voor te lezen. Hij maakte zich daar op het podium boos over alle recensenten van tegenwoordig, die geen aandacht hadden voor het gehele oeuvre van de auteurs die zij bespraken, maar alleen over de betreffende bundel schreven. Ik voelde mij aangesproken, want zelden betrek ik het volledige werk van iemand in mijn essays, en was woest, omdat ik het er helemaal niet mee eens was, maar dat moeilijk door de kleine zaal kon roepen. Waarom moest je alles hebben gelezen om over een mooi boek te kunnen schrijven? Ik was ook boos op het universum dat hij de bundel voorlas in plaats van Esther, dat de bundel überhaupt voorgelezen werd, ook al wist ik heus wel dat ik uit vrije wil naar de voordracht was gegaan. Ik nam mij voor nooit meer naar zulke avonden te gaan, omdat ik de poëzie zélf wilde lezen. Bij iedere voordracht verdwijnen er namelijk betekenissen, veranderen de sfeer en de toon, die in mijn hoofd heel anders resoneerden dan in de zaal.
Eerst werd ik door Wiljan uitgenodigd voor het afscheid van Esther. Een uur van tevoren was ik er al, zoals altijd ‘te vroeg’, net als de titel van Favereys cyclus waarop ik – maatschappelijk bepaald niet relevant – ben afgestudeerd. Tussen de hoge bomen van het landgoed ging ik op een omgevallen boomstam zitten en las voor de vogels zachtjes een gedicht van Esther voor uit een bundel die ik had meegenomen voor onderweg.
Ik kende niemand van de aanwezigen, behalve Wiljan, die mij allang niet meer herkende. Toch was het fijn er te zijn, al was het maar vanwege alle interessante verhalen van de dendrochronologen, die mij uiteindelijk weer naar de bewoonde wereld hebben gebracht, omdat de bus terug naar het station niet meer reed en ik daarom maar op de stoeprand was gaan zitten, in de hoop dat er een wonder zou gebeuren. Het piepkleine autootje dat mij propvol dendrochronologen langzaam voorbijreed, keerde een eindje verder om, om mij te vragen of ik mee wilde rijden! Ik paste er nog net tussen, tussen mijn helden! De liefdevolle verhalen van Esthers kinderen schommelden mee in mijn hart, terwijl ik dacht aan de kapitein uit De spronglaag.
Vanwege de kaart ging ik toch maar wel naar de Geertekerk, en omdat ik wederom veel te vroeg was, liep ik nog een rondje door het Moreelsepark, dat vol fluitenkruid stond. Even later liep het plein vol en herkende ik enkele docenten van vroeger. Ik hield te veel mijn adem in en het begon mij te duizelen. Ik nam plaats, ergens achterin op een bank, die leeg bleef. Overal om me heen vonden mensen elkaar. Zelf had ik de eenzaamheid teruggevonden. Ik ben steeds beter geworden in het verduren van lege plekken tussen mensen, constateerde ik. Trots rechtop blijven zitten op een lege kerkbank.
Ons werd gevraagd wat naar voren te schuiven. Ik ging naast een kleine, wat oudere dame zitten op een verder lege bank – ook zij – en keek naar foto’s van vroeger, luisterde naar verhalen van een heel leven. Een klein stukje daarvan was voor mij van wezenlijk belang geweest: de colleges over Awater en Cheops. De liefde voor Awater had mijn docent van de middelbare school mij al bijgebracht in de les waarin hij ons liet luisteren naar een cassettebandje waarop Henk van Ulzen het gedicht integraal voorlas. Ik herinner me nog het ‘tikt, tikt, slaat, tikt tot half-zes slaat’. Wiljan heeft die liefde tot een duizelingwekkende diepte gebracht door deze in te bedden in interessante theorieën en onderzoeken. De rest van het getoonde leven was voor mij nooit zichtbaar geweest.
Zoekend keek ik rond of ik een volwassen buik zag, die het kleine peuterbuikje van het meisje zou kunnen zijn dat ik ooit, zoveel jaren geleden, op de eindejaarsborrel in Wiljans huis had gevonden. Op Redbads vraag of ze zich alweer wat beter voelde, liet het meisje zomaar haar blote buikje zien. De al licht beschonken Redbad was zichtbaar ontroerd. De verdere context ben ik vergeten. ‘Daar zit een heel intelligente dame,’ wees hij naar mij. Ik schaamde me, omdat ik wel beter wist, en ik waarschijnlijk alleen nog maar water op had, of niets, omdat ik alleen maar weg wilde.
De handen van mijn oud-docenten had ik kunnen schudden, daar in de kerk. Ik had ze kunnen bedanken voor de mooie colleges van destijds. Dat was wat ik het liefst had willen doen. In plaats daarvan draaide ik een paar onzekere rondjes in de lege plekken tussen de mensen, vluchtte toen naar buiten. Op een bankje in het Moreelsepark, tussen het fluitenkruid zeeg ik neer om even op adem te komen. Daarna liep ik langs de Oudegracht terug, langs Trans 10, keek naar boven, naar het raam waarachter zich vroeger een rookgordijn bevond, via Achter de Dom naar de kloostertuin. Daar probeerde ik het gedicht dat ik voor Dodenherdenking heb geschreven, alvast uit mijn hoofd op te zeggen, zachtjes, tussen de toeristen en studenten die druk met elkaar aan het praten waren. Als ik het in Utrecht kon, zou het in Zutphen vast ook lukken.
Daarna liep ik naar Bijleveld, een van de weinige boekhandels waar een rijk gevulde kast met poëzie de eerste kast bij binnenkomst is. Ik kocht This is water van David Foster Wallace, vanwege het oranje visje op de voorkant dat zo’n mooie echo vormde van het visje van Julia op de kaart, en vanwege Awater natuurlijk. Ik las: ‘There are these two young fish swimming along and they happen to meet an older fish swimming the other way, who nods at them and says, “Morning, boys. How’s the water?” And the two young fish swim on for a bit, and then eventually one of them looks over at the other and goes, “What the hell is water?”
In de trein terug naar Zutphen dacht ik weer aan de ladders van Stephan Dean, aan het licht dat in treden viel, en aan hoe onmogelijk het was die wonderlijke ladders te beklimmen, hoezeer je daar ook naar kon verlangen.