In een landschap verdwijnen


Bespreking van 'Zwerfdagboek' van Han Leeferink en Puck Willaarts

Er zijn talloze manieren om in een dagboek te schrijven, meer nog dan dat er mensen zijn, omdat ook één mens dat al op heel veel manieren kan. Ik ben nog niet eerder iets tegengekomen wat lijkt op Zwerfdagboek van Han Leeferink en Puck Willaarts. Ik voel me bijna een beetje dierlijk in hoe ik geneigd ben het te benaderen: snuffelend verkennend om het daarna te bewaken als een deel van mijn territorium. Het is in heel veel opzichten namelijk heel erg mooi.

 

De buitenkaft is een van fijn papier gevouwen omslag met een doorlopende tekening over de vier vouwen heen van Willaarts. Als je die voorzichtig loshaalt, komt er een middenbruin boek tevoorschijn zonder rug, maar met mooi ingenaaide schutbladen. En misschien moet je daarna maar gewoon doen wat Yin Xi van de Bergpas zei, in het motto van Lie Zi: ‘Wees stil als een spiegel, Antwoord als een echo.’

 

De eerste echo die in mij klonk bij het zien van Willaarts tekeningen, was: zo tekende ik als kind. Ik besef dat het kan klinken als de grootst mogelijke belediging voor een kunstenaar, maar ik had het grootst mogelijke compliment voor ogen. Ik wil namelijk niet zeggen dat mijn tekeningen er vroeger ook zo uitzagen, maar het gaat mij om het ‘hoe’. Ik tekende als kind zonder enige terughoudendheid. Ik was geen kind dat tekende, maar ik was het tekenen zelf, ik ging er volledig in op. Dat is wat me overrompelt als ik Willaarts tekeningen zie, terwijl ik helemaal niet zeker weet of ze zo tot stand zijn gekomen. Ze roepen het op. Het is ‘zijn, in beweging zijn, worden, ondergaan (met de klemtoon op aa)’, zonder het commentaar van het bewustzijn.

 

Dichterbij dan bij het kind in jezelf kan eigenlijk niet en dat is waarom het ontroert: het raakt iets diep vanbinnen. De teksten van Leeferink laten een zoektocht zien naar deze zelfde manier van ‘worden’, maar dat is in woorden bijna onmogelijk, want woorden stromen niet als water, wuiven niet als wind, maar zijn de dragers van gedachten, bewustzijn. De eerste teksten vormen een zoektocht van de ik, niet alleen in het landschap zelf, maar ook een zoektocht naar een vorm van benadering van het landschap. De ik bivakkeert in een stenen huis aan de rivier, komt af en toe iemand tegen: de dikke man, het meisje, de fluitspeler en de hond Patou. Hij beschrijft het landschap en zijn eigen zoektocht, waarbij hij verwijst naar talloze schrijvers, kunstenaars en filosofen.

 

Geleidelijk aan wordt duidelijk wat de ik graag zou willen, namelijk een landschapsbeleving zoals die van klassieke Chinese landschapsschilders en -dichters. In het nawoord staat: ‘Toen bij ons het idee ontstond om landschap vanuit dit (daoïstische) perspectief te verbeelden, hadden we geen idee hoe we dat moesten aanpakken. Zo veel vragen, zo weinig antwoorden. Het enige wat we wisten was dat we dit wilden, dat we dit heel graag wilden. […] bij het oproepen van landschap in eerste instantie niet gaat om het weergeven van bomen, wolken, velden, rivieren…, maar om het voelbaar maken van een zekere resonantie.’

 

Steeds vaker worden de wat meer onderzoeksachtige teksten afgewisseld met pogingen tot resonantie:

 

het veld wit van water als ijs in uitgestrekt licht

           nevelig licht

                      loensend licht

                                                                      tussen de bomen in de verte

tik druppel tik druppel tik druppel

 

 

Typografisch zijn de teksten ook interessant, omdat letters in verschillende groottes zijn afgedrukt, soms dwars door elkaar. Als het gaat om het gekwetter van vogels bijvoorbeeld, ervaar je daardoor als lezer het verschil in volume. Eerst lijkt het wat gekunsteld, maar gaandeweg het boek word je er als lezer helemaal in meegevoerd, alsof je met de teksten aan het mee-oefenen bent in verdwijnen.

 

Sommige tekeningen zijn over de bladzijden heen afgebeeld, andere aan de rand, andere in het midden. Ze zijn allemaal van dezelfde hand, maar er is er niet een hetzelfde. Sommige zijn gefotografeerd in het schrift, andere los of in een passe-partout. Naast tekeningen en teksten zijn er ook talloze foto’s in opgenomen. De foto’s zijn op een bijzondere manier genomen of afgedrukt, alsof de scherpte eruit is en je meer uitgenodigd wordt om te ‘ondergaan’ dan om te kijken. Teksten, tekeningen en foto’s lijken elkaar willekeurig af te wisselen, waardoor het zwerven door dit dagboek net zo onvoorspelbaar is als het wandelen door een landschap.

 

Eerder dan dit dagboek las ik Leeferinks later uitgegeven De oosthoek van de Melkweg, dat al net zo fraai is uitgegeven. Daarin wil een van de personages loskomen van de woorden in zijn hoofd. Daar moest ik bij dit boek steeds aan denken: de ik lijkt de woorden op een andere manier te willen gebruiken dan we normaalgesproken doen, niet om te denken of gedachten onder woorden te brengen, maar om te verdwijnen in wat erdoor wordt opgeroepen. Misschien is het een verlangen naar de paradijselijke vorm van zijn, zonder bewustzijn?

 

Vijf jaar lang hebben Willaarts en Leeferink getekend, geëtst, gefotografeerd, geschreven, gestudeerd, voordat het boek verscheen. En vervolgens hebben ook uitgever, vormgever en drukker zich geen moeite bespaard om dit zo prachtig uit te geven. Het is een boek om te bewaren en steeds weer even in te bladeren. Aan het slot kwamen er vogels aanvliegen, vanuit een verte, en ineens zat ik er middenin, de klapperende vleugels, het gekwetter, en het stierf weer weg en ze waren verdwenen, alles was leeg en licht of was ik verdwenen?

 

 

Dietske Geerlings

 

Han Leeferink en Puck Willaarts – Zwerfdagboek. Uitgeverij Nachtwind, Hilversum. 384 blz. €30,00.