'Hij dacht dat ik hem zou slaan, dat was al genoeg'
Bespreking van 'Het diner' van Herman Koch door Frederiek Ditzel (leerling vwo 6 Eligant Lyceum)

Herman Koch, schrijver van meerdere populaire romans, wordt op 5 september 1953 geboren in Arnhem. Zijn debuut, de volledig verzonnen verhalenbundel De voorbijganger, komt in 1985 uit. Hierna heeft hij meerdere boeken geschreven, maar verkoopsuccessen werden deze niet. Als in 2009 de roman Het diner uitkomt verandert dat. Het boek heeft vijfenvijftig buitenlandse vertalingen en is meerdere keren verfilmd. (Wie Is Herman Koch? | NPO Kennis, n.d.) In het boek gaan twee broers uit eten samen met hun vrouwen. Ze praten over van alles en nog wat, maar wat ontbreekt is het gesprek over de verschrikkelijke daad die hun zoons hebben verricht. Wat ze moeten doen is voor de echtparen en voor de lezer een brandende vraag. In hoeverre beïnvloedt Herman Koch in Het Diner het morele kompas van de lezer?
De lezer wordt aan het begin volledig meegenomen in de gedachtes van Paul. Zijn mening over zijn broer Serge, lijsstrekker van een mogelijk winnende politieke partij, wordt uitgebreid aan het licht gebracht. Het is voor de lezer al snel duidelijk dat Serge er alles aan doet om een goed imago achter te laten bij de buitenwereld. De lezer vormt al vroeg in het boek een negatieve mening over Serge, die te laat komt bij het door hem geïnitieerde diner: “maar bovenal vervloekte ik Serge, dit etentje waarop híj tenslotte het meest had aangedrongen, een etentje waarvoor hij niet de beleefdheid had kunnen opbrengen om op tijd te komen.” (Koch, 2009, pp. 24-25) Er komen nog veel vergelijkende passages in het boek voorbij waar Paul uithaalt naar zijn broer:
Hij, Serge Lohman, had de chablis met de verrotte kurk uitgezocht. Hij had zich verheugd op een vlot verloop: het lezen van het etiket, het goedkeurende knikje, het bodempje dat de gerant voor hem zou inschenken. Dat laatste vooral. Ik kon het inmiddels niet meer aanzien, niet meer aanhoren, het gesnuif, het gegorgel, het gesmak, de wijn die mijn broer van voren naar achter over zijn tong liet rollen, tot achter in zijn keelholte, en daarna weer terug. Ik wendde altijd mijn blik af tot het voorbij was. (Koch, 2009, pp. 45-46)
Het is duidelijk: Paul houdt niet van chique dineren en wijnproeven. Hij heeft dan ook zeker een afkeer voor zijn broer die daar wel van houdt. Daarnaast wordt het gezin van Paul omschreven als een hele normale familie, een gelukkig gezin: “Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.” Koch, 2009, p. 12) Ook wordt er weergegeven hoe goed de band tussen de ouders en hun zoon is. Te veel bemoeien met zijn zaken, zoals rondsnuffelen in zijn kamer? Dat zouden zij, als goede ouders, nooit doen. Dit gelukkige gezin lijkt geen problemen te hebben. Paul wordt door deze variërende manieren neergezet als een goede man zonder kwade intenties. De lezer kan zich door deze manier van schrijven goed inleven in de mening en emoties van Paul. Zo heeft men al snel het idee dat de goede kant in het boek de kant van Paul is.
Op een gegeven moment komen er passages langs waar men zich kan afvragen hoe ‘goed’ Paul werkelijk is. Een eerste moment dat de lezer de integriteit van Paul in twijfel gaan trekken kan het voorval zijn met zijn zoon, Michel, waarmee hij naar fietsenwinkel verderop gaat. Zijn zoon heeft hier een bal door de ruit geschopt. Samen gaan ze naar de fietsenwinkel om aan te bieden de schade te vergoeden. De verkoper neemt hier geen genoegen mee, want hij vindt dat er elke dag rotjongens voor zijn winkel ‘expres’ de bal tegen zijn ruit aanschieten. Paul snapt niet het punt van de verkoper: Hij heeft hem het geld aangeboden, dus wat wil de verkoper dan nog meer? Paul is in alle staten, terwijl zijn zoon ernaast staat. Die maakt zich achteraf een beetje zorgen, maar wordt vervolgens gerustgesteld door zijn vader:
Bij de hoek van onze straat keek ik opzij; zijn gezicht was nog steeds nat en rood van de tranen, maar het huilen was opgehouden. […] Michel zei niks tot we bij de voordeur van ons huis kwamen. […] ‘Wilde je die meneer echt slaan? Met die fietspomp?’ Ik had de sleutel al in het slot gestoken, maar nu hurkte ik opnieuw voor hem neer. ‘Moet je luister,’ zei ik. ‘Die man is geen meneer. Die man is gewoon een stuk vuil dat een hekel aan spelende kinderen heeft. Het gaat er niet om of ik hem echt een knal voor zijn kop had gegeven met die pomp. Dat had hij dan sowieso helemaal aan zichzelf te wijten gehad. Nee, het gaat erom dat hij dácht dat ik hem zou slaan, dat was al genoeg.’ (Koch, 2009, pp. 144-145)
De actie van Paul wordt dus vrijwel goed gepraat. Zijn zoon is na een paar dagen al helemaal de oude en vindt het niet meer opmerkelijk wat zijn vader deed. Voor de lezer is het hierdoor lastig om nog de fout te zien in het voorval, omdat alle meningen in het boek erop wijzen dat het niet zo erg is. Hierop volgen meerdere vergelijkbare passages, waarbij elke situatie luguberder eindigt. Door het opbouwen van de gevolgen voor het slachtoffer lijkt het voor de lezer wel iets mee te vallen. Elke keer wordt de situatie uitgebreid uitgelegd en kan je als lezer soms wel tot de conclusie komen dat je ergens wel snapt wat Paul doet. Koch maakt het de lezer hierdoor moeilijk om een onbevooroordeelde mening te hebben op situaties en personen in het boek.
Het einde van het boek is een volledig open einde. Het eindigt erg abrupt: “‘En nu sta je weer te lachen,’ zei hij. ‘Moet ik doorgaan? Weet je zeker dat je alles wilt horen?’ Ik zei niets. Ik keek alleen maar. Toen deed Michel een stap naar voren, hij sloeg zijn armen om me heen en drukte me tegen zich aan. ‘Lieve papa,’ zei hij.” (Koch, 2009, pp. 300-301) De lezer mag hierdoor zelf invullen hoe het boek eindigt. Dit zal vaak gepaard gaan met hoe de lezer zou willen dat het boek afloopt, maar doordat Koch veel invloed heeft op de mening van de lezer zal dit niet altijd een moreel einde zijn. Dat zal voornamelijk voorkomen bij de zwakkere lezers, een groep die steeds groter wordt. Deze groep heeft veel moeite met het begrijpen van teksten en boeken, daardoor is het mogelijk dat het hen ontgaat hoe Koch hen beïnvloedt (Zwakke En Goede Begrijpend Lezers: Verschillen En Overeenkomsten, 2020). Ze denken door de introductie van de personages dat Paul een goed persoon is en Serge zien ze al snel als een arrogante man. Als hierna een aantal passages volgen over slechte daden van Paul is het voor de zwakkere lezers makkelijk om er zand over te gooien en hem nog steeds als het goede personage te zien. Ze vinden het lastig om af te stappen van het eerste beeld dat ze van hem hadden. De gevorderde lezers kunnen dit beeld makkelijker herstellen. Familieleden meerdere keren in elkaar slaan wordt door het overgrote deel van de mensheid niet als normaal ervaren. Dit is toch wat er gebeurt in het boek. Een gevorderde lezer zal inderdaad nog steeds van mening zijn dat dit niet normaal is om te doen, maar een zwakkere lezer zal door alles wat eerder is benoemd over het personage toch de situatie minder snel zien als absurd.
Kortom, Herman Koch heeft een aardig grote invloed op het morele kompas van zijn lezers, vooral bij de wat zwakkere lezers. Deze invloed wordt versterkt door het open einde dat hij gebruikt in zijn boek. Eerst belicht hij personages op een goede of slechte manier. Verder in het boek wordt dat volledig omgedraaid. Daardoor kan het voor de lezer lastig zijn om realistisch te blijven kijken naar verschillende passages in het boek. Daar vraag je je als lezer soms wel echt af: “’Qu’est-ce qu’il se passe?’” (Koch, 2009, p. 79)
Bronnen:
Wie is Herman Koch? | NPO Kennis. (n.d.). https://npokennis.nl/longread/7506/wie-is-herman-koch (Wie Is Herman Koch? | NPO Kennis, n.d.)
Koch, H. (2009). Het diner. (Koch, 2009)
Zwakke en goede begrijpend lezers: verschillen en overeenkomsten. (2020, April 24). Universiteit Leiden. https://www.universiteitleiden.nl/nieuws/2020/04/zwakke-en-goede-begrijpend-lezers-verschillen-en-overeenkomsten (Zwakke En Goede Begrijpend Lezers: Verschillen En Overeenkomsten, 2020)