'de vrijheid om te doen waar je geen zin meer in hebt'


Bespreking van 'Er woont een meisje in me dat niet sterven wil'  van Tove Ditlevsen

 

Internationaal is er steeds meer aandacht voor de Deense Tove Ditlevsen (1917-1976). Olga Ravn heeft in Er woont een meisje in me dat niet sterven wil een selectie van Ditlevsens poëzie samengesteld en deze ingeleid. Lammie Post-Oostenbrink is de vaste vertaler van Ditlevsen. De bundel is mooi vormgegeven met een harde kaft en een zwart schutblad waarop enkele grillige poppetjes zijn getekend, zoals een kind dat zou doen. Deze schutbladen passen helemaal bij de inhoud en de titel van de bundel: haast kinderlijke eenvoud en zuiverheid omhuld door gitzwart.

 

De eenvoud doet een beetje pijn als ze tegen het cliché aanleunt: ‘Het zingt zwaarmoedig vergeten liederen / en houdt enkel van nachtelijke regenstormen’. Als de bundel alleen dit soort regels had bevat, zou ik hem hebben weggelegd, maar daartussen staan andere, óók eenvoudige, maar dan op een heel andere manier:

 

Als door een wonder werd ik

zesentwintig jaar.

Sterven is de zin verliezen

om dingen te slopen

waar een ander van houdt.

 

Hier is de eenvoud de bovenste laag. Er is niets ingewikkelds aan de taal. De bovenste laag is echter zo dun, dat je er vrijwel meteen doorheen zakt en je afvraagt waar je bent beland. Wie is hier aan het woord? Het gedicht beslaat zeven bladzijden en heet ‘Lola’. Het gaat over een ik, die in het vrouwenhuis de hand aan zichzelf sloeg en op een gesloten afdeling ‘alle bloempotten / stuksmeet zonder geestesziek te zijn.’ Het gedicht maakt nieuwsgierig.

 

Ditlevsen was een arbeidersschrijver, die over het dagelijks leven van vrouwen en kinderen schreef in de arbeiderswijk Vesterbro, zo schrijft Olga Ravn in de inleiding. Ook schreef ze over ‘de armen en de kwetsbare rare vogels, de prostituees in de Istedgade. Er zijn in haar gedichten ook echo’s te vinden van de schlagers, poëziealbums en liederen van de arbeidersvrouwen.’ Toch werd haar werk nooit eerder bestempeld als arbeidersliteratuur en dat is onterecht, vindt Ravn. Die literatuur gaat doorgaans over mannen, die in de fabriek werken. Echter, als vrouwen kinderen baren, deze verzorgen en eten geven, zodat ze arbeiders worden voor de staat, dan kan de relatie van de vrouw tot haar lichaam vergeleken worden met die van de arbeider tot de fabriek. Vrouwen die schrijven over het reproductieve werk van het huishouden doen, kinderen krijgen, mannen bedienen en de weerzin ertegen, schrijven daarom arbeidersliteratuur, aldus Ravn.

 

Als je op die manier naar de bundel kijkt, dan voel je hoe achter deze vrouw een strijdlust, maar ook een diep verlangen schuilt: ‘Wat er echt / toe doet / dat draag je / alleen.’ Het simpele rijm van sommige gedichten is te zien als het versleten gereedschap waarmee de arbeider werkt. Ook met deze armoede kun je poëzie schrijven die uiteindelijk onder de huid kruipt en aan het denken zet. Ravn beschrijft deze sentimentaliteit als een poëtisch anachronisme dat ondermijnt.

 

Juist omdat ze deze vorm afwisselt met scherpzinnige observaties ontstaat er een krachtige, eigen stem. Glashelder, maar vlijmscherp schrijft ze over een echtscheiding, waarvan ze er zelf meerdere heeft beleefd, als ze op haar achtenvijftigste jaar een einde aan haar leven maakt:

 

Een woordenschat

van circa

honderd

maakt geen deel uit

van de boedelscheiding.

 

[…]

 

De vrijheid

arriveert pas

met de volgende trein

 

[…]

 

’s ochtends

ben je ineens

intens gelukkig

en wanhopig

voor de avond valt.

 

Ook dit gaat voorbij

zeggen je vriendinnen

je moet even

doorbijten.

Gewichtloos als een

astronaut

zweef je door

de lege kamers

en wacht je

op de vrijheid

om te doen

waar je

geen zin meer

in hebt.

 

 

Dietske Geerlings

 

Tove Ditlevsen – Er woont een meisje in me dat niet sterven wil. Vertaald door Lammie Post-Oostenbrink. Uitgeverij Das Mag, Amsterdam. 176 blz. €24,99.